Lees het in uw eigen krant. LEES DE WAARHEID DeWaarheid.nu
VOLKSEDITIE VOOR NEDERLAND
VCP.nu

HOME

DutchEnglishFrenchGermanItalianPortugueseRussianSpanish


Toespraak van Ruud Weijdeveld in Esterwegen

9 mei 2015

Beste vrienden en vriendinnen,

wij zijn hier vandaag bijeen in het kader van de internationale Esterwegen-herdenking om te strijden tegen racisme en fascisme. En dat is ook nodig. Want racisme en fascisme zijn geen zaken, die zich binnen de grenzen van onze landen afspelen. Zo zien we in onze tijd toenemende pogingen van rechts-extremistische stromingen in Europa om zich internationaal beter te organiseren. Zoals in het kader van het Europese parlement. Zij hopen op die manier dit parlement nog beter te kunnen gebruiken als spreekbuis voor hun ideeën en de publieke opinie in Europa verder te beïnvloeden.

Maar ook de strijd tégen racisme en fascisme is geen zaak, die zich binnen de landsgrenzen afspeelt. Juist hier in Esterwegen is het een heel goede plek om daar in het kader van de internationale herdenking van vandaag verder bij stil te staan. De concentratiekampen in het Eemsland, die al vroeg in het jaar 1933 werden gebouwd, zijn van deze samenwerking over de grenzen immers een sprekend voorbeeld.

Vanuit het Groninger land waren sommige van de kampen door hun verlichting 's avonds en 's nachts duidelijk te zien. Ook werden gevangenen tot vlak bij of zelfs aan de grens gedwongen hun arbeid te verrichten. En ook dat kon vanuit Nederland worden waargenomen.

Maar ook op andere manieren raakte de bevolking van Groningen al vroeg bij de kampen in het Eemsland betrokken. Van tijd tot tijd ontsnapten er gevangenen die uiteraard probeerden zo snel mogelijk de grens met Nederland over te steken. Dat gebeurde meestal met spontane ontvluchtingspogingen, waarbij vluchtelingen op goed geluk hoopten in Nederland in goede handen terecht te komen. Maar het kwam eveneens voor dat vluchtpogingen naar Nederland grondig werden voorbereid, waarbij opvang over de grens vooraf was geregeld. In het Groninger grensgebied was, met name in het Oldambt, de communistische partij sterk vertegenwoordigd. Vele landarbeiders waren lid van deze partij. Met name zij zorgden voor de eerste opvang.

Maar niet alleen uit de Eemsland-kampen kwamen vluchtelingen uit Duitsland de Nederlandse grens over. Deze vluchtelingen kwamen naar Nederland, omdat hen de grond te heet onder de voeten werd en zij juist wilden voorkómen dat zij door de Nazi's zouden worden gearresteerd. Daarbij maakten zij gebruik van een netwerk van vluchtwegen, zoals dat door de communistische partij van Duitsland in alle grensgebieden werd opgebouwd. Zij kwamen met behulp van diverse - hen onbekende - contactpersonen in het grensgebied aan, waarna zij in samenwerking tussen Nederlandse en Duitse anti-fascisten bij nacht en ontij over de grens werden gesmokkeld.

Zo ontstonden illegale vluchtwegen in het hele Groninger grensgebied. Bij Nieuwe Statenzijl, via Lupsezijl, bij Nieuweschans en bij Boertange kwamen op deze manier vele vluchtelingen naar Nederland. Dat was niet zonder gevaar, noch voor de Duitsers zelf, maar ook niet voor de Nederlanders, die soms eerst zelf de grens over staken om de Duitse vluchtelingen op te halen.

De stroom van vluchtelingen uit de kampen en via de illegale vluchtwegen bleek al snel zo groot, dat hun opvang daardoor beter moest worden georganiseerd. De Internationale Rode Hulp in Nederland speelde daarbij al snel een doorslaggevende rol, met name voor zover het communistische vluchtelingen betrof. De Rode Hulp bouwde een netwerk op, waardoor ontsnapte gevangenen zo snel mogelijk uit het grensgebied werden overgebracht naar de stad Groningen. Daar was het makkelijker hen in de arbeiderswijken in veiligheid te brengen. Vanuit Groningen gingen zij verder naar het Westen van Nederland. De meeste van hen kwamen na enige tijd terecht in Amsterdam.

De gevangenen hoopten in Nederland veilig te zijn. Maar daarvoor waren ze wel afhankelijk van de plaatselijke bevolking, die hen immers moest verbergen en ervoor moest zorgen dat ze niet in handen van de Nederlandse politie zouden vallen.

Het was voor de Groningers geen eenvoudige opgave om de vluchtelingen veilig onder dak te brengen. De vluchtelingen moesten tal van veiligheidsvoorschriften in acht nemen om uit handen van de politie te blijven. En ook viel het niet mee om hen van de noodzakelijkste levensvoorwaarden te voorzien. De Groninger arbeiders waren vaak klein-behuisd en het kwam niet zelden voor dat de vluchteling het bed moest delen met een van de kinderen van het gezin, dat onderdak verschafte.

Ook het mee-eten was een groot probleem. In menig Groningse arbeidersgezin was het al moeilijk om in de bittere crisistijd van de jaren '30 het eigen gezin van eten te voorzien. Soms werden door de vluchtelingen aparte adressen gebruikt om 's morgens, 's middags en 's avonds mee te eten. Ook het verschaffen van kleding en een gering zakgeld stelde de Groningse onderduik-gezinnen voor grote problemen.

Om die reden werden door de Rode Hulp vanaf het begin financiële campagnes georganiseerd, waarbij een beroep werd gedaan op leden en sympathisanten.

De opvang van al deze vluchtelingen betekende voor de bevolking van Groningen de eerste aanraking met het Duitse fascisme, reeds lang voordat in 1940 het land door Duitsland werd bezet. Van hen hoorden de Groningers uit de eerste hand wat er in de concentratiekampen in het Eemsland en verderop in Duitsland gebeurde. Soms lieten de gevangenen de verwondingen als gevolg van de mishandelingen zien. En ook maakten zij al vroeg via de gevangenen kennis met het lied van de Moorsoldaten, dat in Groningen al snel werd overgenomen en op manifestaties tegen het Duitse fascisme in een Nederlandse vertaling ten gehore werd gebracht.

Het motiveerde hen om naast de hulp aan de vluchtelingen ook op andere manieren hun solidariteit met het Duitse volk tot uiting te brengen. Zo gingen in 1934 en in 1935 delegaties van de Rode Hulp de grens over in een poging om direct bij de kampen hun solidariteit met de gevangenen te tonen. Ze hadden geld bij zich, dat in Nederland was ingezameld, om aan de gevangenen te overhandigen. In 1935 werd eerst nog in de stad Groningen de Grote Markt aangedaan, waar men, alvorens naar het Eemsland te vertrekken, aan het samengestroomde publiek wilde uitleggen wat de delegatie in Duitsland ging doen, maar dat werd hen door de politie onmogelijk gemaakt.

Deze houding van de Groninger politie stond niet op zichzelf. De Nederlandse overheid voerde een beleid van goede betrekkingen met Duitsland. Op het beledigen van Hitler stond een gevangenisstraf, evenals op het verlenen van illegale hulp aan Duitse vluchtelingen. De politiediensten van Nederland en Duitsland werkten zelfs nauw samen bij het opsporen van vluchtelingen. Bij herhaling slaagde de Groninger politie erin om Duitse vluchtelingen te arresteren, soms bij nachtelijke invallen in de arbeiderswijken, andere keren bij toeval op straat. Na hun arrestatie stond hen uitlevering aan Duitsland te wachten. De Groningse anti-fascisten liepen dan te hoop bij het Groninger politiebureau en schakelden advocaten in om dreigende uitlevering te voorkomen. Helaas lukte dat niet altijd, waardoor sommige van de vluchtelingen opnieuw of alsnog in de handen van de Nazi's vielen.

Deze houding van de Nederlandse overheid is des te schrijnender in het licht van de latere bezetting van Nederland. Tientallen Groningse communisten, die voor de oorlog bij het vluchtelingenwerk betrokken waren geweest, vielen, door hun deelname aan het anti-Duitse verzet, nu zelf in handen van de SD en kwamen onder erbarmelijke omstandigheden om het leven in Duitse concentratiekampen, zoals Buchenwald en Neuengamme.

Terug naar de jaren '30. De Duitse anti-fascisten organiseerden zich na aankomst in Nederland veelvuldig opnieuw. Zij hielden vergaderingen en scholingsbijeenkomsten en ook probeerden zij vanuit Nederland het verzet in Duitsland tegen Hitler te blijven ondersteunen. Zij vervaardigden pamfletten, brochures en ander illegaal materiaal en brachten dat met behulp van hun Nederlandse kameraden naar Duitsland. In het bijzonder gebeurde dat gedurende enkele jaren vanuit Delfzijl, door schippers die het materiaal naar Emden brachten. Omgekeerd brachten zij uit Emden geld mee ter ondersteuning van de Spaanse republikeinse regering in haar strijd tegen Franco.

Veel van de vluchtelingen vetrokken ook zelf naar Spanje om daar mee te vechten in de rijen van de Internationale Brigades. Van de naar schatting 40.000 leden van de Internationale Brigades kwam ongeveer de helft uit Duitsland. Zij zagen hun deelname aan de Spaanse Burgeroorlog niet alleen als een strijd ter verdediging van de wettig gekozen Spaanse regering maar ook als een strijd tegen het fascisme in hun eigen land. De deelname van Duitse soldaten en vliegtuigen, denk aan het afschuwelijke bombardement van Guernica, laat wel zien hoezeer ze hierin gelijk hadden.

Deze geschiedenis van saamhorigheid tussen Duitse en Nederlandse anti-fascisten in het grensgebied, maar ook die in Spanje en op vele andere plekken in de wereld, laat zien, dat de strijd tegen het fascisme geen nationale maar een ínternationale zaak is. Dat is altijd zo geweest en dat zal ook altijd zo blijven. Zoals de rechts-extremistische groeperingen zich in heel Europa trachten te bundelen, zo zullen ook de tegenkrachten dat moeten doen.

In dat kader kan het belang van de jaarlijkse Esterwegen-herdenking niet genoeg worden onderstreept, noch in Nederland, noch in Duitsland!

Ik dank jullie wel voor je aandacht.

 


Share |