Lees het in uw eigen krant. LEES DE WAARHEID DeWaarheid.nu
VOLKSEDITIE VOOR NEDERLAND
VCP.nu

HOME

DutchEnglishFrenchGermanItalianPortugueseRussianSpanish


Zie ook:

Playa Girón: Keerpunt in de geschiedenis

55 jaar na het grootste CIA-fiasco
Playa Girón: Blijvende Bron van Inspiratie


De Cubaanse leider Fidel Castro (onder rechts) in een tank bij
Playa Girón tijdens de invasie in de Varkensbaai, 17 april 1961.
(Foto: Raúl Corrales/Granma/CP/AP)

Door Carmelo Ruiz [1]

21 april 2016 - Tussen 17 en 19 april 1961 voerde een leger van Cubaanse huurlingen, geleid door de CIA, een invasie uit in de Varkensbaai, in het zuiden van Cuba. Binnen drie dagen liep de onderneming uit op een desastreuze mislukking, met meer dan 100 doden onder de huurlingen en meer dan 1000 die gevangen werden genomen. 55 jaar later is deze historische nederlaag nog steeds een open zenuw voor de haviken in Washington.

Voor de Koude Oorlogsstrijders en rechtse hardliners is het nog steeds een belediging en vernedering die om vergelding en genoegdoening vraagt. Voor progressieve en anti-imperialistische mensen in de wereld roept het noemen van de naam 'Varkensbaai' - of 'Playa Girón' in de Spaans sprekende wereld - een gevoel van vreugde en viering op. De Verenigde Staten, een imperium dat gewend is zich tot in elke uithoek van de wereld te laten gelden, waren niet in staat hun wil op te leggen aan een eiland dat ruim 100 kilometer van hun kust lag. Het was dus toch mogelijk het imperium te verslaan.

Revolutie

De invasie vond plaats tijdens de eerste maanden van het presidentschap van John F. Kennedy, maar de plannen waren al veel eerder onder president Dwight Eisenhower gemaakt. In januari van 1959 werd de Cubaanse dictator Fulgencio Batista, één van de meest gruwelijke dictators van Latijns-Amerika, door een volksopstand onder leiding van Fidel Castro verdreven. Dit feit heeft de politieke ontwikkelingen in Latijns-Amerika en de Amerikaanse politiek t.a.v. Latijns-Amerika daarna fundamenteel veranderd. Nog voor het eerste jaar van de revolutie eindigde, was er al consensus in Washington dat het nieuwe Cuba niet getolereerd kon worden en in maart 1960 keurde Eisenhower een top geheime operatie goed - operatie JMARC - om het nieuwe bewind in Havana omver te werpen.


Cubaanse rebellenleiders Fidel Castro (midden) en Camilo Cienfuegos (links), staande in een jeep, worden omgeven door leden van de linkse guerillabeweging, op 8 januari 1959, wanneer zij in Havana aankomen
na de overwinning op het leger van dictator Batista.
(Foto: AFP/Getty Images)

CIA-studiecentrum

In maart 1960 gaf Eisenhower de CIA de opdracht een invasie op Cuba uit te voeren en het bewind van Castro omver te werpen. De CIA organiseerde een operatie waartoe het contrarevolutionaire Cubaanse ballingen trainde en financierde, die als gewapende arm van een 'Democratisch Revolutionair Front', dat bekend stond onder de naam 'Brigade 2506', zou dienen.

Volgens het 'Center for the Study of Intelligence' van de CIA "hadden de Eisenhower administratie en de CIA al eind 1959 vastgesteld dat Castro een instrument was van het communisme en een bondgenoot was van de Sovjet-Unie". CIA-onderdirecteur voor Planning, Richard Bissel, betoogde in februari 1961 dat "de onvrede over het bewind van Castro alleen door een externe interventie kon worden omgezet in actief verzet".

De lente van 1961 werd door de Amerikanen gezien als de laatste kans om een invasie uit te voeren (zonder daadwerkelijk deelname van Amerikaanse troepen), voordat Cuba wapens zou kunnen ontvangen van de Europese Oostbloklanden. De door de CIA-opgeleide Brigade 2606 van Cubaanse ballingen zou een afgelegen gebied langs de zuidkust van Cuba innemen, waarna geëmigreerde politieke leiders naar het eiland zouden terugkeren en een alternatief bewind voor Castro zouden vormen. Ervan uitgaande dat zij de controle over het luchtruim en een verstevig bruggenhoofd aan de kust zouden veroveren - ze beschikten over verouderde maar krachtige B-26 bommenwerpers, die naar verluidt gekocht waren op de zwarte markt - dan zouden ze het numerieke overwicht van het Cubaanse leger teniet doen en de onmacht van Castro demonstreren. In de weken daarna zou de Cubaanse bevolking en het leger tenslotte actieve weerstand tegen het bewind bieden en uiteindelijke haar ondergang bezegelen. Als alles mis liep, kon de Brigade over zee worden geëvacueerd en elementen zouden dan een guerrilla-oorlog in het niet al te ver gelegen Escambray gebergte kunnen voeren. Deze aannames bleken een rampzalige miscalculatie.


Fidel Castro springt van een tank bij aankomst bij Girón, vlakbij de Varkensbaai op 17 april 1961. (Foto: Bohemia Magazine/AP)

Guatemala model

Het plan van de operatie was gebaseerd op de succesvolle staatsgreep die de CIA in Guatemala in 1954 had uitgevoerd. In deze operatie, met als geheime codenaam PBSUCCES, rebelleerden militaire officieren tegen de democratisch gekozen president Jacobo Arbenz, met steun van troepen uit het naburige Honduras en El Salvador en de luchtmacht van de Puerto Ricaanse Nationale Garde. Het enige belangrijke verschil tussen beide operaties was dat Cuba vanaf zee zou worden aangevallen.

Als locatie voor de invasie werd de in het zuiden gelegen Varkensbaai gekozen om elke betrokkenheid van de Verenigde Staten te kunnen ontkennen. Het huurlingenleger werd getraind in Guatemala en Vieques in Puerto Rico, en de schepen zouden vanuit Puerto Cabezas in Nicaragua vertrekken. In geen geval mocht de betrokkenheid van de Verenigde Staten bekend worden, omdat de operatie geheel in strijd was met het handvest van zowel de VN als de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), alsook de eigen Amerikaanse wetten en grondwet.

De geheimhouding van de Amerikaanse betrokkenheid bleek echter steeds meer een klucht te zijn. In de 'John F. Kennedy Library' lezen we: "Ondanks de moeite die de regering deed om het invasieplan geheim te houden, werd het algemeen bekend onder Cubaanse ballingen in Miami. Via de Cubaanse geheime dienst was Castro al in oktober 1960 op de hoogte van de trainingskampen in Guatemala. De media berichtten uitvoerig toen de invasie in gang werd gezet."


Rafael Soldevilla (74) een veteraan van de verdediging in de Varkensbaai poseert in zijn huis in Havana. (Foto: Javier Galeano/AP)

Vernedering

De invasie werd vooraf gegaan door een aanval van B-26 bommenwerpers op drie militaire vliegvelden op de vroege ochtend van 15 april. De aanval had de Cubaanse luchtmacht moeten uitschakelen, maar de toestellen die vanuit Nicaragua kwamen, misten veel van hun doelen en lieten voldoende Cubaanse gevechtsvliegtuigen in takt om de invasie af te slaan.

Later op die morgen beschuldigde de Cubaanse minister van Buitenlandse Zaken, Raúl Roa, in de VN de VS ervan achter de aanvallen te zitten. De Amerikaanse ambassadeur bij de VN, Adlai E. Stevenson, ontkende ten stelligste dat zijn land ook maar iets te maken had met de aanval, noch met de op handen zijnde invasie. Alle documenten laten zien dat Stevenson niet over de operatie was geïnformeerd en dat hij in een val was getrapt om een CIA-verhaal in de VN te houden. Toen zijn verklaring werd ontmaskerd, beschreef hij deze episode als de grootste vernedering in zijn carrière en overwoog serieus om ontslag te nemen. [2]

Op de vroege ochtend van de 17de april landde het invasieleger in de Varkensbaai. Maar binnen 72 uur werd het verpletterend verslagen door de Cubaanse revolutionaire strijdkrachten onder de persoonlijke leiding van Fidel Castro. De verslagen huurlingen hebben later herhaaldelijk beweerd dat de schuld voor het mislukken van de operatie bij President Kennedy lag. Die had geweigerd om de Amerikaanse luchtmacht in te zetten en militair in te grijpen. Naar hun mening zou dat een andere uitkomst hebben gegeven.

Vrijwel onmiddellijk volgden verwijten en wederzijdse beschuldigingen over dit kolossale en beschamende fiasco. President Kennedy liet twee onderzoeken uitvoeren. Eén werd uitgevoerd door een comité onder leiding van generaal Maxwell Tayler, het andere onderzoek door Lyman Kirkpatrick, de inspecteur-generaal van de CIA. Beide onderzoeken legden de schuld van het falen volledig bij de CIA.


Parade van Cubaanse militairen en burgers op de 50ste herdenking van de invasie in de Varkensbaai op het plein van de Revolutie in Havana, 16 april 2011. (Foto: Miguel Guzman/Prensa Latina/AP)

Kirkpatrick rapport

Het 300 pagina's tellende rapport van Kirkpatrick was geheim, totdat het in 1998 vrij kwam onder de Freedom of Information Act, op verzoek van de non-gouvernementele organisatie National Security Archive. Volgens de New York Times waren alle kopieën vernietigd, op één na die in een kluis in het bureau van de CIA-directeur werd bewaard.

"Kirkpatrick legde de schuld voor het mislukken van de operatie volledig bij zijn eigen bureau, de CIA, en vooral bij de onderdirecteur voor Planning, Richard Bissel. De operatie werd gekarakteriseerd als 'slechte planning', 'ondermaatse' staf, falende inlichtingen en veronderstellingen en 'falen in het adviseren van de president dat het slagen van de operatie dubieus was'. Met name hekelt het rapport het niet willen onderkennen van een mogelijk falen als een 'pathetische illusie'. De CIA faalde compleet te erkennen dat toen het project eenmaal voorbij het punt van 'plausibele ontkenning' was beland, het zowel buiten de verantwoordelijkheid als ook de capaciteiten van de CIA was gekomen. In een schrijven aan de nieuwe CIA-directeur, John McCone [3], signaleert Kirkpatrick wat hij noemt 'een tendens binnen de CIA om het eigen onvermogen te verbloemen en de schuld bij een falen bij andere elementen in de regering teleggen, in plaats van de eigen zwakte te erkennen'".

"De CIA-functionarissen raakten zo verstrikt in de operatie dat zij het overzicht en het uiteindelijke doel uit het oog verloren. Hun budget verveelvoudigde zich van 4,4 miljoen dollar naar 46 miljoen. Binnen een jaar creëerde zij een onhandelbaar, slecht-getraind, rauw invasieleger, dat niet langer geheim was en waarover uitgebreid werd gepubliceerd in de media, nog voor de operatie plaatsvond", aldus het rapport.


Militaire parade op het Plein van de Revolutie op de 50ste herdenking
van de invasie in de Varkensbaai op het plein van de Revolutie in
Havana, 16 april 2011. (Foto: Desmond Boylan/Reuters)

'Officiële geschiedenis'

Het vernietigende rapport van Kirkpatrick bleef niet onbeantwoord door de CIA. Jack Pfeiffer, een stafmedewerker die was opgeklommen tot de belangrijkste historicus van de CIA, heeft in de jaren van 1974 tot 1984 een 'officiële geschiedenis' van de invasie in de Varkensbaai geschreven. In een omvangrijk werk van vijf delen werd het rapport van Kirkpatrick bestreden en de CIA verdedigd. Alleen het vijfde deel is tot op de dag van vandaag geheim.

Volgens de National Security Archive geeft deel drie van deze 'officiële geschiedenis' het meest gedetailleerde verslag van het proces van besluitvorming binnen het Witte Huis, de CIA en het ministerie van Buitenlandse Zaken onder Eisenhower, dat tot de invasie heeft geleid. Het bevat een aantal ontstellende onthullingen, inclusief de samenwerking van de CIA met georganiseerde misdaadorganisaties om topleiders van de Cubaanse revolutie te vermoorden.

'Hit List'

"In november 1960 stuurde Edward Landsdale, een specialist bij de contraspionagedienst van het Amerikaanse leger, een 'Must Go' lijst naar een speciale 'task force' met de namen van 11 Cubaanse functionarissen, inclusief Ché Guevara, Raúl Castro, Blas Roca en Carlos Raphael Rodríguez die vermoord moesten worden." Niet minder belangrijk is dat Deel Drie stelt dat de speciale 'task force' van de CIA, die verantwoordelijk was voor het vermoorden van de Cubaanse functionarissen, niet geloofde dat de invasie een kans van slagen had zonder openlijke steun van het Amerikaanse leger.

Dit deel werd in 1998 vrijgegeven, maar het werd pas in 2005 bekend bij het publiek nadat professor David Barret van het Villanova College een kopie ontdekte in een obscuur dossier bij de National Security Archive en het op de website van het Villanova College publiceerde.

Volgens de National Security Archive bevat Deel Vijf van Pfeiffer, dat nog steeds geheim is, een krachtige aanval op Krikpatrick's focus op de schuld van de CIA voor het falen van de invasie. "Net als de rest van de Officiële Geschiedenis, verdedigt de CIA-historicus de dienst tegen elke kritiek van haar eigen inspecteur-generaal en probeert het de schuld over 'Wie heeft Cuba Verloren' neer te leggen bij andere overheidsinstanties, met name het Witte Huis van Kennedy."

De tijdloze waarheid van Playa Girón

Maar achter al het wederzijds bureaucratisch verwijten maken, de rapporten, de aanvallen en tegenaanvallen en geheimhoudingen, is er één waarheid die het meest pijnlijke is voor het imperium en haar bondgenoten. De hele gedachte achter de invasie was de aanname dat het Cubaanse volk zou opstaan en de revolutionaire regering zou omverwerpen. Inderdaad, zodra het Cubaanse volk hoorde van de invasie, stond het op, maar dat deed zij om hun revolutie te verdedigen en de CIA-huurlingen eruit te gooien. Dat is de meest belangrijke en tijdloze waarheid van Playa Girón.


Badgasten op het strand van Playa Larga in de Varkensbaai. Playa Larga was één van de stranden waar het huurlingenleger aan land kwam. (Foto: Adalberto Roque/AFP/Getty Images)

[1] http://www.telesurtv.net/english/analysis/Bay-of-Pigs-the-CIAs-Biggest-Fiasco-55-Years-Later-20150416-0042.html

[2] In 2003 onderging de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Collin Powell, hetzelfde lot toen hij in de Veiligheidsraad kwam aantonen dat Sadam Hoessein massavernietigingswapens had, die er uiteindelijk niet waren. Desalniettemin was het voor de VS en Engeland reden om Irak aan te vallen. Ook voor Powell was dit één van de meest vernederende ervaringen, zo heeft hij later verklaard. [red. DW)

 


Share |